Niederländisch

Detailübersetzungen für matheid (Niederländisch) ins Deutsch

matheid:

matheid [de ~ (v)] Nomen

  1. de matheid (futloosheid; loomheid; slapheid)
    die Kraftlosigkeit; die Schlaffheit; die Energielosigkeit
  2. de matheid

Übersetzung Matrix für matheid:

NounVerwandte ÜbersetzungenWeitere Übersetzungen
Energielosigkeit futloosheid; loomheid; matheid; slapheid
Kraftlosigkeit futloosheid; loomheid; matheid; slapheid impotentie; krachteloosheid; laksheid; machteloosheid; onmacht; onvermogen; slapheid; slapte; sulligheid; weekheid; zachtheid; zwakheid; zwakte
Schlaffheit futloosheid; loomheid; matheid; slapheid dufheid; impotentie; krachteloosheid; laksheid; machteloosheid; malaise; onmacht; onvermogen; slapheid; slapte; sulligheid; weekheid; weekte; zachtheid; zwakheid; zwakte
Not SpecifiedVerwandte ÜbersetzungenWeitere Übersetzungen
Deckkraft matheid

Verwandte Wörter für "matheid":


Wiktionary Übersetzungen für matheid:


Cross Translation:
FromToVia
matheid Faible; Flauheit; Melancholie; Schwermut; Tiefsinn; Trübsinn; Wehmut; Strapaze; Abnahme; Apathie; Teilnahmslosigkeit; Leidenschaftslosigkeit; Gefühllosigkeit; Gleichgültigkeit abattementdiminution rapide, d’une durée plus ou moins longue, des forces physiques et des fonctions psychiques.
matheid Müdigkeit; Ermüdung fatigue — Sensation de faiblesse physique

matheid form of mat:

mat Adjektiv

  1. mat (niet uitbundig)
  2. mat (gematteerd)
    matt; mattiert; stumpf; glanzlos
  3. mat (flets)
    matt; bleich; farblos
  4. mat (glansloos; dof; beslagen)
    beschlagen; matt; grau; stumpf; trüb; dumpf; trübe; farblos; mattiert; glanzlos
  5. mat (niet helder; dof; flets)
    matt; dumpfig; stumpf; schwach; grau; hohl; blind; schlapp; schlaff; flau; beschlagen; farblos; glanzlos; nicht hell
  6. mat (versuft; soezerig; suf; )
    betäubt; stumpfsinnig; dösig; duselig
  7. mat (futloos; slap; lusteloos; lamlendig)
    schlaff; freudlos; lustlos; lahm; träge; matt; schlapp

mat [de ~ (m)] Nomen

  1. de mat (onderzetter; matje; onderlegger; placemat; tafelmatje)
    Setdeckchen; der Untersetzer; die Unterlage
  2. de mat (grasmat; gras)
    die Rasendecke
  3. de mat (vloermat)
    die Fußmatte; die Matte; der Vorleger

Übersetzung Matrix für mat:

NounVerwandte ÜbersetzungenWeitere Übersetzungen
Fußmatte mat; vloermat
Matte mat; vloermat beddekleedje; onderleggers; onderzetters; placemats; tafelmatjes
Rasendecke gras; grasmat; mat
Setdeckchen mat; matje; onderlegger; onderzetter; placemat; tafelmatje
Unterlage mat; matje; onderlegger; onderzetter; placemat; tafelmatje basis; beginsel; fundament; grond; grondgedachte; grondslag; grondstelling; onderleggers; onderstuk; onderzetters; placemats; principe; tafelmatjes; uitgangspunt; vertrekpunt
Untersetzer mat; matje; onderlegger; onderzetter; placemat; tafelmatje onderleggers; onderzetters; placemats; tafelmatjes
Vorleger mat; vloermat beddekleedje; onderleggers; onderzetters; placemats; tafelmatjes
AdjectiveVerwandte ÜbersetzungenWeitere Übersetzungen
- dof
ModifierVerwandte ÜbersetzungenWeitere Übersetzungen
abständlich mat; niet uitbundig
beschlagen beslagen; dof; flets; glansloos; mat; niet helder humide; nat; vochtig
betäubt daas; dof; geesteloos; mat; soezerig; suf; versuft bedwelmd; doezelig; onder invloed; soezerig; suf; verdoofd
bleich flets; mat blank; bleek; bleek van gelaatskleur; grauw; pips; vaal; wit; wit van huidskleur
blind dof; flets; mat; niet helder blind; niet kunnende zien; niet zien kunnend
dumpf beslagen; dof; glansloos; mat afgedempt; banaal; bedompt; benauwd; doezelig; drukkend; duf; gedempt; grauwkleurig; grijs; grof; laag-bij-de-grond; lomp; muf; niet helder; onduidelijk; plat; platvloers; schunnig; soezerig; suf; triviaal; vaag; vunzig
dumpfig dof; flets; mat; niet helder afgedempt; banaal; doezelig; gedempt; grauwkleurig; grijs; grof; laag-bij-de-grond; lomp; niet helder; onduidelijk; plat; platvloers; schunnig; soezerig; suf; triviaal; vaag; vunzig
duselig daas; dof; geesteloos; mat; soezerig; suf; versuft aangeschoten; bedwelmd; beneveld; beschonken; doezelig; dommelig; lodderig; onder invloed; slaperig; soezerig; soezig; suf; suffig; teut; tipsy; verdoofd; versuft
dösig daas; dof; geesteloos; mat; soezerig; suf; versuft doezelig; dommelig; eentonig; lodderig; monotoon; saai; slaapverwekkend; slaperig; soezerig; soezig; suf; suffig; versuft
farblos beslagen; dof; flets; glansloos; mat; niet helder blank; bleek; flauw; flets; grauw; grauwkleurig; grijs; kleurloos; ongekleurd; vaal; verschoten; verveloos; verweerd
flau dof; flets; mat; niet helder armzalig; breekbaar; broos; flauw; fragiel; gammel; grauwkleurig; grijs; karig; krakkemikkig; krukkig; kwetsbaar; laf; lijzig; log; loom; mager; mistig; nevelachtig; onbeholpen; onduidelijk; onhandig; onhelder; pover; schamel; schraal; schutterig; slungelig; smakeloos; stumperig; stuntelig; sukkelig; teer; vaag; vagelijk; wankel; wazig; zonder smaak; zonder zout; zouteloos; zoutloos; zwak
freudlos futloos; lamlendig; lusteloos; mat; slap godgeklaagd; hemeltergend; lijzig; log; loom; naargeestig; somber; ten hemel schreiend; triest; troosteloos; zeer ergerlijk; zwaarmoedig
glanzlos beslagen; dof; flets; gematteerd; glansloos; mat; niet helder bleek; flauw; flets; grauwkleurig; grijs; kleurloos; verschoten; verveloos
grau beslagen; dof; flets; glansloos; mat; niet helder grauw; grauwkleurig; grijs; vaal
hohl dof; flets; mat; niet helder armzalig; concaaf; hol; holrond; inhoudsloos; karig; leeg; mager; nietszeggend; pover; schamel; schraal
kühl mat; niet uitbundig doodgemoedereerd; doodkalm; fris; frisjes; gemoedereerd; guur; kil; koel; koud en vochtig; luchtig
lahm futloos; lamlendig; lusteloos; mat; slap bleekjes; kreupel; krukkig; lam; mank; onbeholpen; onhandig; pips; schutterig; slap; slapjes; slungelig; stumperig; stuntelig; sukkelig; verlamd; wee; ziekelijk; zwak
lustlos futloos; lamlendig; lusteloos; mat; slap bleekjes; energieloos; flauw; flauwtjes; futloos; hangerig; krukkig; lamlendig; landerig; lijzig; log; loom; lusteloos; onbeholpen; onhandig; pips; schutterig; slap; slapjes; slungelig; stumperig; stuntelig; sukkelig; wee; ziekelijk; zwak; zwakjes
matt beslagen; dof; flets; futloos; gematteerd; glansloos; lamlendig; lusteloos; mat; niet helder; slap armetierig; bleek; bleekjes; flauw; flauwtjes; flets; gammel; kleurloos; krakkemikkig; kwijnend; lijzig; log; loom; pips; slap; slapjes; verschoten; wankel; wee; ziekelijk; zwak
mattiert beslagen; dof; gematteerd; glansloos; mat
nicht hell dof; flets; mat; niet helder
schlaff dof; flets; futloos; lamlendig; lusteloos; mat; niet helder; slap armzalig; bleekjes; doezelig; dood; gammel; geesteloos; karig; krachteloos; krakkemikkig; krukkig; levenloos; mager; niet bezield; onbeholpen; onbezield; onhandig; pips; pover; schamel; schraal; schutterig; slap; slapjes; slungelig; soezerig; stumperig; stuntelig; suf; sukkelig; wankel; wee; ziekelijk; zwak
schlapp dof; flets; futloos; lamlendig; lusteloos; mat; niet helder; slap armzalig; bleekjes; energieloos; flauw; futloos; gammel; karig; krachteloos; krakkemikkig; krukkig; kwabbig; lamlendig; landerig; lijzig; lillend; log; loom; lusteloos; mager; onbeholpen; onhandig; pips; pover; schamel; schraal; schutterig; slap; slapjes; slungelig; smakeloos; stumperig; stuntelig; sukkelig; wankel; wee; ziekelijk; zonder smaak; zwak
schwach dof; flets; mat; niet helder achtergebleven; achterlijk; arm; armetierig; armzalig; bleekjes; breekbaar; broos; debiel; dement; dun; flauw; flauwtjes; fragiel; gammel; idioot; ijl; imbeciel; inferieur; karig; krakkemikkig; kwetsbaar; kwijnend; laag; mager; matig; middelmatig; min; minderwaardig; niet al te best; niet hoog; niet stevig; onbeduidend; ondermaats; ondeugdelijk; pips; ploertig; pover; schamel; schemerig; schimmig; schraal; slap; slapjes; slecht; teer; tweederangs; van geringe dichtheid; wankel; wee; week; ziekelijk; zwak; zwakjes; zwakzinnig
stumpf beslagen; dof; flets; gematteerd; glansloos; mat; niet helder achterlijk; afgestompt; afgevlakt; bot; breinloos; dom; eenvoudig; geesteloos; gemakkelijk; hersenloos; idioot; licht; lomp; makkelijk; niet moeilijk; onbehouwen; onbenullig; onbeschaafd; onnozel; onopgevoed; onverstandig; simpel; stomp; stompzinnig; stupide; verstandeloos
stumpfsinnig daas; dof; geesteloos; mat; soezerig; suf; versuft achterlijk; afgestompt; afstompend; breinloos; dom; eentonig; eenvoudig; geestdodend; geesteloos; gek; gemakkelijk; geschift; gestoord; hersenloos; idioot; idioterig; krankjorum; krankzinnig; licht; maf; makkelijk; mesjogge; niet goed snik; niet moeilijk; onbenullig; onnozel; onverstandig; saai; simpel; stom; stompzinnig; stupide; suf; verstandeloos; zot
träge futloos; lamlendig; lusteloos; mat; slap aarzelend; besluitloos; bezadigd; dralend; gezapig; kreupel; laks; lam; langzaam; leuterig; lijzig; log; loom; mank; slepend; sloom; talmend; traag; treuzelachtig; treuzelend; vadsig; weifelend
trüb beslagen; dof; glansloos; mat bedroefd; donker; drabbig; droef; droevig; druilerig; duister; flauw; kommervol; met neerslag; miezerig; mistig; naargeestig; nat; nevelachtig; niet duidelijk; niet helder; onduidelijk; onhelder; onklaar; onverlicht; onzuiver; regenachtig; rouwig; somber; treurig; triest; troebel; troebelachtig; troosteloos; vaag; vaag zichtbaar; vagelijk; verdrietig; vol met zorgen; wazig; wollig; zwaarmoedig
trübe beslagen; dof; glansloos; mat baggerig; donker; drabbig; drassig; druilerig; duister; flauw; met neerslag; miezerig; mistig; modderig; morsig; nat; nevelachtig; niet duidelijk; niet helder; onduidelijk; onhelder; onklaar; onverlicht; onzuiver; pruttig; ranzig; regenachtig; rouwig; slibachtig; slibberig; slijkerig; slonzig; slordig; smerig; treurig; troebel; troebelachtig; vaag; vaag zichtbaar; vagelijk; verdrietig; vies; viezig; voddig; vuil; vunzig; wazig; wollig
zurückhaltend mat; niet uitbundig geheimzinnig; gereserveerd; gesloten; ingetogen; koel; opzijgezet; terughoudend; terughoudende

Verwandte Wörter für "mat":


Synonyms for "mat":


Antonyme für "mat":


Verwandte Definitionen für "mat":

  1. zonder glans1
    • ik laat mijn foto's altijd mat afdrukken1
  2. rechthoekig vloerkleedje van biezen of touw1
    • er ligt een dikke mat voor de deur1
  3. stilletjes, niet levendig1
    • Bas is zo mat vandaag, hij is vast ziek1

Wiktionary Übersetzungen für mat:


Cross Translation:
FromToVia
mat schach und matt; schachmatt checkmate — said when making the conclusive move in chess
mat Schachmatt checkmate — conclusive victory in a game of chess
mat matt dull — not shiny
mat Matte mat — foot wiping device or floor covering
mat Matte mat — protector
mat Matte mat — athletics: protective pad
mat matt matte — not reflective of light
mat stumpf; matt; trübe; glanzlos; blind; leblos terne — Qui n’a pas l’éclat qu’il doit avoir, ou qui en a peu en comparaison d’une autre chose.