Übersicht
Niederländisch nach Deutsch:   mehr Daten
  1. opzijzetten:


Niederländisch

Detailübersetzungen für opzijzetten (Niederländisch) ins Deutsch

opzijzetten:

opzijzetten Verb (zet opzij, zette opzij, zetten opzij, opzij gezet)

  1. opzijzetten

Konjugationen für opzijzetten:

o.t.t.
  1. zet opzij
  2. zet opzij
  3. zet opzij
  4. zetten opzij
  5. zetten opzij
  6. zetten opzij
o.v.t.
  1. zette opzij
  2. zette opzij
  3. zette opzij
  4. zetten opzij
  5. zetten opzij
  6. zetten opzij
v.t.t.
  1. heb opzij gezet
  2. hebt opzij gezet
  3. heeft opzij gezet
  4. hebben opzij gezet
  5. hebben opzij gezet
  6. hebben opzij gezet
v.v.t.
  1. had opzij gezet
  2. had opzij gezet
  3. had opzij gezet
  4. hadden opzij gezet
  5. hadden opzij gezet
  6. hadden opzij gezet
o.t.t.t.
  1. zal opzijzetten
  2. zult opzijzetten
  3. zal opzijzetten
  4. zullen opzijzetten
  5. zullen opzijzetten
  6. zullen opzijzetten
o.v.t.t.
  1. zou opzijzetten
  2. zou opzijzetten
  3. zou opzijzetten
  4. zouden opzijzetten
  5. zouden opzijzetten
  6. zouden opzijzetten
en verder
  1. ben opzij gezet
  2. bent opzij gezet
  3. is opzij gezet
  4. zijn opzij gezet
  5. zijn opzij gezet
  6. zijn opzij gezet
diversen
  1. zet opzij!
  2. zet opzij!
  3. opzij gezet
  4. opzij zettend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Übersetzung Matrix für opzijzetten:

VerbVerwandte ÜbersetzungenWeitere Übersetzungen
auf die Seite setzen opzijzetten