Übersicht
Niederländisch nach Deutsch:   mehr Daten
  1. slaan op:
  2. opslaan:
  3. Wiktionary:


Niederländisch

Detailübersetzungen für slaan op (Niederländisch) ins Deutsch

slaan op:

slaan op Verb (sla op, slaat op, sloeg op, sloegen op, geslagen op)

  1. slaan op (betreffen; aangaan)
    betreffen; angehen; gehen um
    • betreffen Verb (betreffe, betriffst, betrifft, betraf, betraft, betroffen)
    • angehen Verb (gehe an, gehst an, geht an, gang an, ganget an, angegangen)
    • gehen um Verb

Konjugationen für slaan op:

o.t.t.
  1. sla op
  2. slaat op
  3. slaat op
  4. slaan op
  5. slaan op
  6. slaan op
o.v.t.
  1. sloeg op
  2. sloeg op
  3. sloeg op
  4. sloegen op
  5. sloegen op
  6. sloegen op
v.t.t.
  1. heb geslagen op
  2. hebt geslagen op
  3. heeft geslagen op
  4. hebben geslagen op
  5. hebben geslagen op
  6. hebben geslagen op
v.v.t.
  1. had geslagen op
  2. had geslagen op
  3. had geslagen op
  4. hadden geslagen op
  5. hadden geslagen op
  6. hadden geslagen op
o.t.t.t.
  1. zal slaan op
  2. zult slaan op
  3. zal slaan op
  4. zullen slaan op
  5. zullen slaan op
  6. zullen slaan op
o.v.t.t.
  1. zou slaan op
  2. zou slaan op
  3. zou slaan op
  4. zouden slaan op
  5. zouden slaan op
  6. zouden slaan op
en verder
  1. ben geslagen op
  2. bent geslagen op
  3. is geslagen op
  4. zijn geslagen op
  5. zijn geslagen op
  6. zijn geslagen op
diversen
  1. sla op!
  2. slat op!
  3. geslagen op
  4. slaand op
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Übersetzung Matrix für slaan op:

VerbVerwandte ÜbersetzungenWeitere Übersetzungen
angehen aangaan; betreffen; slaan op aangaan; belang inboezemen; contract aangaan; omhoogkomen; opstijgen; opvliegen; zorg inboezemen
betreffen aangaan; betreffen; slaan op aangaan; belang inboezemen; beroeren; betreffen; raken; treffen; zorg inboezemen
gehen um aangaan; betreffen; slaan op

slaan op form of opslaan:

opslaan Verb (sla op, slaat op, sloeg op, sloegen op, opgeslagen)

  1. opslaan (bewaren; deponeren)
    speichern; bewahren; lagern; aufbewahren; deponieren; bergen
    • speichern Verb (speichere, speicherst, speichert, speicherte, speichertet, gespeichert)
    • bewahren Verb (bewahre, bewahrst, bewahrt, bewahrte, bewahrtet, bewahrt)
    • lagern Verb (lagere, lagerst, lagert, lagerte, lagertet, gelagert)
    • aufbewahren Verb (bewahre auf, bewahrst auf, bewahrt auf, bewahrte auf, bewahrtet auf, aufbewahrt)
    • deponieren Verb (deponiere, deponierst, deponiert, deponierte, deponiertet, deponiert)
    • bergen Verb (berge, birgst, birgt, barg, bargt, geborgen)
  2. opslaan (archiveren; opbergen; bewaren)
    archivieren; ablegen; aufheben
    • archivieren Verb (archiviere, archivierst, archiviert, archivierte, archiviertet, archiviert)
    • ablegen Verb (lege ab, legst ab, legt ab, legte ab, legtet ab, abgelegt)
    • aufheben Verb (hebe auf, hiebst auf, hieb auf, hob auf, hobt auf, aufgehoben)
  3. opslaan (onthouden; opnemen)
    enthalten; erwähnen; absorbieren
    • enthalten Verb (enthalte, enthältest, enthält, enthielt, enthieltet, enthalten)
    • erwähnen Verb (erwähne, erwähnst, erwähnt, erwähnte, erwähntet, erwähnt)
    • absorbieren Verb (absorbiere, absorbierst, absorbiert, absorbierte, absorbiertet, absorbiert)
  4. opslaan
    speichern
    • speichern Verb (speichere, speicherst, speichert, speicherte, speichertet, gespeichert)

Konjugationen für opslaan:

o.t.t.
  1. sla op
  2. slaat op
  3. slaat op
  4. slaan op
  5. slaan op
  6. slaan op
o.v.t.
  1. sloeg op
  2. sloeg op
  3. sloeg op
  4. sloegen op
  5. sloegen op
  6. sloegen op
v.t.t.
  1. heb opgeslagen
  2. hebt opgeslagen
  3. heeft opgeslagen
  4. hebben opgeslagen
  5. hebben opgeslagen
  6. hebben opgeslagen
v.v.t.
  1. had opgeslagen
  2. had opgeslagen
  3. had opgeslagen
  4. hadden opgeslagen
  5. hadden opgeslagen
  6. hadden opgeslagen
o.t.t.t.
  1. zal opslaan
  2. zult opslaan
  3. zal opslaan
  4. zullen opslaan
  5. zullen opslaan
  6. zullen opslaan
o.v.t.t.
  1. zou opslaan
  2. zou opslaan
  3. zou opslaan
  4. zouden opslaan
  5. zouden opslaan
  6. zouden opslaan
en verder
  1. ben opgeslagen
  2. bent opgeslagen
  3. is opgeslagen
  4. zijn opgeslagen
  5. zijn opgeslagen
  6. zijn opgeslagen
diversen
  1. sla op!
  2. slat op!
  3. opgeslagen
  4. opslaand
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Übersetzung Matrix für opslaan:

NounVerwandte ÜbersetzungenWeitere Übersetzungen
aufheben deining; ophef
VerbVerwandte ÜbersetzungenWeitere Übersetzungen
ablegen archiveren; bewaren; opbergen; opslaan afleggen; bewaren; deponeren; iets neerleggen; leggen; meters maken; neerleggen; neerzetten; onderuit halen; opzij leggen; plaatsen; stationeren; wegleggen; wegzetten; zetten
absorbieren onthouden; opnemen; opslaan absorberen; incorporeren; inlijven; opnemen; opnemen in groter geheel; opslorpen; opslurpen
archivieren archiveren; bewaren; opbergen; opslaan archiveren; comprimeren
aufbewahren bewaren; deponeren; opslaan behoeden; behouden; bergen; beschermen; bewaren; conserveren; deponeren; leggen; neerleggen; op bankrekening zetten; opruimen; plaatsen; sparen; wegleggen
aufheben archiveren; bewaren; opbergen; opslaan afbestellen; afbetalen; afgelasten; afrekenen; afzeggen; annuleren; behoeden; behouden; bergen; beschermen; bewaren; conserveren; deponeren; heffen; intrekken; leggen; lichten; naar boven tillen; neerleggen; nietig verklaren; nullificeren; omhoog brengen; omhoogheffen; ondervangen; ontbinden; opdoeken; opheffen; oppakken; oppikken; oprapen; oprichten; opruimen; opsnappen; optillen; optrekken; overeindzetten; plaatsen; teniet doen; terugdraaien; tillen; uiteen doen gaan; vereffenen; verijdelen; vernietigen; verrekenen; wegleggen
bergen bewaren; deponeren; opslaan bergen; deponeren; in veiligheid brengen; leggen; neerleggen; opruimen; plaatsen; wegleggen; zetten
bewahren bewaren; deponeren; opslaan behoeden; behouden; bergen; beschermen; bescherming bieden; beschutten; bewaren; conserveren; deponeren; handhaven; in bescherming nemen; instandhouden; leggen; neerleggen; opruimen; plaatsen; stand houden; wegleggen
deponieren bewaren; deponeren; opslaan achterleggen; deponeren; geld overmaken; leggen; neerleggen; overboeken; overschrijven; overzenden; plaatsen; posten; posteren; stationeren; storten; wegleggen; zetten
enthalten onthouden; opnemen; opslaan abstineren; afslaan; afwijzen; afwimpelen; bedanken; behelzen; bevatten; bijsluiten; bijvoegen; hongerstaken; inhouden; insluiten; omtrekken; onthouden; toevoegen; vasten
erwähnen onthouden; opnemen; opslaan erbij zeggen; gewag maken van; gewagen; melding maken van; noemen; vermelden
lagern bewaren; deponeren; opslaan bergen; deponeren; kamperen; legeren; leggen; neerleggen; opruimen; plaatsen; wegleggen
speichern bewaren; deponeren; opslaan bergen; opruimen

Wiktionary Übersetzungen für opslaan:

opslaan
verb
  1. informatica|nld vastleggen of bewaren van gegevens
opslaan
verb
  1. EDV: Daten auf Datenträger schreiben

Cross Translation:
FromToVia
opslaan speichern save — to write a file to a disk
opslaan bunkern; verstecken stash — store away for later use
opslaan speichern store — computing: write (something) into memory or registers
opslaan lagern; speichern stockerconserver en dépôt, entreposer.

Verwandte Übersetzungen für slaan op