Niederländisch

Detailübersetzungen für goedkeuren (Niederländisch) ins Schwedisch

goedkeuren:

goedkeuren Verb (keur goed, keurt goed, keurde goed, keurden goed, goedgekeurd)

  1. goedkeuren (billijken)
    godkänna; erkänna; acceptera
    • godkänna Verb (godkänner, godkände, godkänt)
    • erkänna Verb (erkänner, erkände, erkänt)
    • acceptera Verb (accepterar, accepterade, accepterat)
  2. goedkeuren (bekrachtigen; bevestigen; homologeren; bezegelen)
    bekräfta; ratificera; besegla
    • bekräfta Verb (bekräftar, bekräftade, bekräftat)
    • ratificera Verb (ratificerar, ratificerade, ratificerat)
    • besegla Verb (beseglar, beseglade, beseglat)
  3. goedkeuren (autoriseren; toestaan; permitteren; fiatteren; goedvinden)
    befoga; bemyndiga; auktorisera
    • befoga Verb (befogar, befogade, befogat)
    • bemyndiga Verb (bemyndigar, bemyndigade, bemyndigat)
    • auktorisera Verb (auktoriserar, auktoriserade, auktoriserat)
  4. goedkeuren (toestaan; laten; permitteren; )
    tillåta
    • tillåta Verb (tillåter, tillåtit, tillät)
  5. goedkeuren (fiatteren; goedvinden; toestemming verlenen; autoriseren)
    godkänna; bemyndiga; auktorisera; befullmäktiga
    • godkänna Verb (godkänner, godkände, godkänt)
    • bemyndiga Verb (bemyndigar, bemyndigade, bemyndigat)
    • auktorisera Verb (auktoriserar, auktoriserade, auktoriserat)
    • befullmäktiga Verb (befullmäktigar, befullmäktigade, befullmäktigat)

Konjugationen für goedkeuren:

o.t.t.
  1. keur goed
  2. keurt goed
  3. keurt goed
  4. keuren goed
  5. keuren goed
  6. keuren goed
o.v.t.
  1. keurde goed
  2. keurde goed
  3. keurde goed
  4. keurden goed
  5. keurden goed
  6. keurden goed
v.t.t.
  1. heb goedgekeurd
  2. hebt goedgekeurd
  3. heeft goedgekeurd
  4. hebben goedgekeurd
  5. hebben goedgekeurd
  6. hebben goedgekeurd
v.v.t.
  1. had goedgekeurd
  2. had goedgekeurd
  3. had goedgekeurd
  4. hadden goedgekeurd
  5. hadden goedgekeurd
  6. hadden goedgekeurd
o.t.t.t.
  1. zal goedkeuren
  2. zult goedkeuren
  3. zal goedkeuren
  4. zullen goedkeuren
  5. zullen goedkeuren
  6. zullen goedkeuren
o.v.t.t.
  1. zou goedkeuren
  2. zou goedkeuren
  3. zou goedkeuren
  4. zouden goedkeuren
  5. zouden goedkeuren
  6. zouden goedkeuren
en verder
  1. ben goedgekeurd
  2. bent goedgekeurd
  3. is goedgekeurd
  4. zijn goedgekeurd
  5. zijn goedgekeurd
  6. zijn goedgekeurd
diversen
  1. keur goed!
  2. keurt goed!
  3. goedgekeurd
  4. goedkeurend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

goedkeuren

  1. goedkeuren

Übersetzung Matrix für goedkeuren:

NounVerwandte ÜbersetzungenWeitere Übersetzungen
godkänna expertise
VerbVerwandte ÜbersetzungenWeitere Übersetzungen
acceptera billijken; goedkeuren aannemen; aanvaarden; accepteren; cadeau aannemen; in ontvangst nemen; ontvangen; voor lief nemen; welgevallen; zich laten gevallen
auktorisera autoriseren; fiatteren; goedkeuren; goedvinden; permitteren; toestaan; toestemming verlenen autoriseren; machtigen; vergunnen; volmacht geven; volmachtigen
befoga autoriseren; fiatteren; goedkeuren; goedvinden; permitteren; toestaan gezag hebben
befullmäktiga autoriseren; fiatteren; goedkeuren; goedvinden; toestemming verlenen afvaardigen; delegeren; deputeren
bekräfta bekrachtigen; bevestigen; bezegelen; goedkeuren; homologeren bekrachtigen; bestempelen; bevestigen; certificeren; merken; van mening zijn; voorstaan; waarmerken
bemyndiga autoriseren; fiatteren; goedkeuren; goedvinden; permitteren; toestaan; toestemming verlenen autoriseren; vergunnen
besegla bekrachtigen; bevestigen; bezegelen; goedkeuren; homologeren bezeilen; bijsluiten; bijvoegen; insluiten; toevoegen
erkänna billijken; goedkeuren biechten; opbiechten
ge behörighet goedkeuren
godkänna autoriseren; billijken; fiatteren; goedkeuren; goedvinden; toestemming verlenen ratificeren
ratificera bekrachtigen; bevestigen; bezegelen; goedkeuren; homologeren
tillåta dulden; duren; goedkeuren; goedvinden; gunnen; inwilligen; laten; permitteren; toelaten; toestaan; toestemmen; vergunnen akkoord gaan; goed vinden; gunnen; gunst verlenen; instemmen; laten; permitteren; toekennen; toelaten; toestaan; toestemmen; vergunnen; verlenen; veroorloven

Verwandte Definitionen für "goedkeuren":

  1. ermee instemmen, erin toestemmen1
    • ik kan het niet goedkeuren dat je zo laat thuiskomt1

Wiktionary Übersetzungen für goedkeuren:


Cross Translation:
FromToVia
goedkeuren godkänna approve — To regard as good; to commend; to be pleased with; to think well of
goedkeuren stå bakom; ställa sig bakom; stödja endorse — support
goedkeuren förorda; välkomna billigen — (transitiv) etwas befürworten, begrüßen, gutheißen
goedkeuren bifalla; godkänna billigen — (transitiv) etwas genehmigen
goedkeuren godkännande agrémentaction d’agréer.
goedkeuren gilla; godkänna approuvertenir pour acceptable.

Computerübersetzung von Drittern: