Übersicht
Niederländisch nach Schwedisch:   mehr Daten
  1. in bezit nemen:


Niederländisch

Detailübersetzungen für in bezit nemen (Niederländisch) ins Schwedisch

in bezit nemen:

in bezit nemen Verb (neem in bezit, neemt in bezit, nam in bezit, namen in bezit, in bezit genomen)

  1. in bezit nemen (toeëigenen)
    ockuppera; ta i besittning
    • ockuppera Verb (ockupperar, ockupperade, ockupperat)
    • ta i besittning Verb (tar i besittning, tog i besittning, tagit i besittning)

Konjugationen für in bezit nemen:

o.t.t.
  1. neem in bezit
  2. neemt in bezit
  3. neemt in bezit
  4. nemen in bezit
  5. nemen in bezit
  6. nemen in bezit
o.v.t.
  1. nam in bezit
  2. nam in bezit
  3. nam in bezit
  4. namen in bezit
  5. namen in bezit
  6. namen in bezit
v.t.t.
  1. heb in bezit genomen
  2. hebt in bezit genomen
  3. heeft in bezit genomen
  4. hebben in bezit genomen
  5. hebben in bezit genomen
  6. hebben in bezit genomen
v.v.t.
  1. had in bezit genomen
  2. had in bezit genomen
  3. had in bezit genomen
  4. hadden in bezit genomen
  5. hadden in bezit genomen
  6. hadden in bezit genomen
o.t.t.t.
  1. zal in bezit nemen
  2. zult in bezit nemen
  3. zal in bezit nemen
  4. zullen in bezit nemen
  5. zullen in bezit nemen
  6. zullen in bezit nemen
o.v.t.t.
  1. zou in bezit nemen
  2. zou in bezit nemen
  3. zou in bezit nemen
  4. zouden in bezit nemen
  5. zouden in bezit nemen
  6. zouden in bezit nemen
en verder
  1. is in bezit genomen
  2. zijn in bezit genomen
diversen
  1. neem in bezit!
  2. neemt in bezit!
  3. in bezit genomen
  4. in bezit nemend
1. ik, 2. je/jij, 3. hij/zij/het, 4. we. 5. jullie, 6. zij/ze

Übersetzung Matrix für in bezit nemen:

VerbVerwandte ÜbersetzungenWeitere Übersetzungen
ockuppera in bezit nemen; toeëigenen
ta i besittning in bezit nemen; toeëigenen eigen maken; iets bemachtigen; kopen; verkrijgen; verwerven

Verwandte Übersetzungen für in bezit nemen