Übersicht
Niederländisch nach Schwedisch:   mehr Daten
  1. zachtheid:
  2. zacht:
  3. Wiktionary:


Niederländisch

Detailübersetzungen für zachtheid (Niederländisch) ins Schwedisch

zachtheid:

zachtheid [de ~ (v)] Nomen

  1. de zachtheid (tederheid; liefkozing; gevoeligheid; innigheid; hartelijkheid)
    ömhet
  2. de zachtheid (weekheid)
    svaghet
  3. de zachtheid (slapheid; zwakte; zwakheid; )
    svaghet; fragilitet

Übersetzung Matrix für zachtheid:

NounVerwandte ÜbersetzungenWeitere Übersetzungen
fragilitet krachteloosheid; laksheid; slapheid; slapte; sulligheid; weekheid; zachtheid; zwakheid; zwakte
svaghet krachteloosheid; laksheid; slapheid; slapte; sulligheid; weekheid; zachtheid; zwakheid; zwakte krachteloosheid; slapte; weekte; zwak punt; zwakheid; zwakte
ömhet gevoeligheid; hartelijkheid; innigheid; liefkozing; tederheid; zachtheid

Verwandte Wörter für "zachtheid":


Wiktionary Übersetzungen für zachtheid:


Cross Translation:
FromToVia
zachtheid svaghet faiblesseétat de ce qui est faible.
zachtheid sjuka; sjukdom; svaghet infirmitéaffection congénitale ou accidentelle qui gêne ou empêcher le fonctionnement de telle ou telle partie de l’organisme.

zachtheid form of zacht:

zacht Adjektiv

  1. zacht (zachtaardig; goedhartig; mild; )
    milt; ömsint; försiktigt; mild
  2. zacht (zacht aanvoelend)
    mjuk; mjukt

Übersetzung Matrix für zacht:

ModifierVerwandte ÜbersetzungenWeitere Übersetzungen
försiktigt clement; goedhartig; mak; mild; welwillend; zacht; zachtaardig alert; bedachtzaam; behoedzaam; bezonnen; hoede; omzichtig; paraat; voorzichtig; waaks; waakzaam; wakend; zorgvuldig
mild clement; goedhartig; mak; mild; welwillend; zacht; zachtaardig effen; egaal; gelijk; geslepen; glad; plat; strak; vlak; vlakuit
milt clement; goedhartig; mak; mild; welwillend; zacht; zachtaardig amicaal; effen; egaal; gelijk; geslepen; glad; kameraadschappelijk; plat; strak; vlak; vlakuit; vriendschappelijk
mjuk zacht; zacht aanvoelend lenig; murw; plooibaar; rimpelloos; soepel; vouwbaar
mjukt zacht; zacht aanvoelend buigzaam; donzen; flexibel; lenig; meegaand; murw; plooibaar; rimpelloos; soepel; vouwbaar
ömsint clement; goedhartig; mak; mild; welwillend; zacht; zachtaardig

Verwandte Wörter für "zacht":


Antonyme für "zacht":


Verwandte Definitionen für "zacht":

  1. gemakkelijk in te drukken1
    • ik slaap op een zacht matras1
  2. gemengd met veel wit, weinig opvallend1
    • rose en lichtblauw zijn zachte kleuren1
  3. met tamelijk hoge temperaturen1
    • we hebben een zachte winter dit jaar1
  4. met weinig kracht1
    • hij gaf me een zachte duw1
  5. niet luid1
    • zet die muziek eens wat zachter!1
  6. rustig en vriendelijk1
    • zijn dochter is een zacht meisje1

Wiktionary Übersetzungen für zacht:

zacht
adjective
  1. gemakkelijk samen te drukken en/of te buigen

Cross Translation:
FromToVia
zacht vän; mild; blid bland — Mild; dull; soft; gentle; smooth in manner; suave
zacht mild bland — Having a soothing effect; not irritating or stimulating
zacht mjuk soft — giving way under pressure
zacht mör tender — soft and easily chewed
zacht öm; ljuv tender — fond, loving, gentle, sweet
zacht mjuk weich — ohne großen Kraftaufwand plastisch verformbar
zacht späd zart — wenig robust/widerstandsfähig
zacht ovass; blid; mild; söt doux — Traductions à trier suivant le sens.
zacht behagfull; söt; snäll; vänlig gentilagréable, charmant, mignon, aimable. Qui a une certaine grâce, un certain agrément délicat.